Wàn ànnàddà

tekst Hans Werkman
foto´s uit mijn archief

P1020058a

Pastor John is een ietwat gezette zwarte meneer met een rond hoofd en in een felrood jasje. Hij stapt achter de katheder van onze kleine garagekerk. Zijn eigen taal is Sotho, hij beheerst het ­Engels minder goed, dus zijn ­Engelse preek staat op papier, maar af en toe laat hij het papier het papier, kijkt ons aan, en rijgt spontaan uit hoofd, hart en gebaar een aantal zinnen aaneen. De preek gaat over de hand die niet beter is dan de voet, over het oog dat niet zonder het oor kan, en het hoofd niet zonder de voeten, en alles bij elkaar vormen ze het lichaam. Pastor John kijkt ons erop aan: dit is het lichaam van Christus. In liefde voor elkaar, ­loving one another. Hij herhaalt en past toe: one another, one another. In zijn door het Sotho gekleurde Engels klinkt dat ‘one another’ fonetisch als: ‘wàn ànnàddà’. Niemand die dat niet begrijpt.

Onder het eten zegt Lemar (6) opeens: de pastor zei ‘wàn ànnàddà, loving wàn ànnàddà’. We lachen. Anna (5) valt met haar vrolijke, scherpe stemmetje in: ‘wàn ànnàddà’, en Joël (4) aapt na: ‘wàn ànnàddà’. Nu is het niet meer van de lucht: ‘Wàn ànnàddà, wàn ànnàddà.’

Na het eten pakt hun mamma de kinderbijbel en vertelt het verhaal van Mozes die een man doodsloeg. Mocht dat? Nee ­natuurlijk. Je moet elkaar niet slaan, je moet elkaar liefhebben.

‘Wàn ànnàddà’, zegt Anna met een schalks lachje.

Nu kan mamma niet meer fatsoenlijk verder vertellen zonder te lachen. De rest van het verhaal wordt uitgesteld tot morgen.

P1010269.JPG

De volgende dag leidt mamma haar Mozes goed en wel naar de zeven dochters van Laban. Daarna komt het liedboekje van het gezin op tafel, door mamma zelf samengesteld met plaatjes en versjes, Engels, Nederlands, Afrikaans. Staat er iets in over Mozes? Jazeker, ‘Jochebed’ en ‘Wie ligt daar in het mandje?’ en ‘The burning bush’. Maar daar ging het verhaal niet over. Iets anders dan maar, een verzoeknummer. Lemar geeft op: ‘Zachaeus was’.

We zingen:

‘Zachaeus was a wee little man

a wee little man was he.

He climbed up in the sycamore tree,

for the Lord he wanted to see.

Bij de derde regel schiet ik in de lach en kan ik niet verder. ‘The sycamore tree’, want dat spreek je voor mij als Groninger uit als ‘Sikkemoa’s tree’, de boom van Sikkemoa. Ik denk meteen terug aan de boomlange Kneels Sikkema in ons Groningse dorp. Ik was een jaar of tien, ik fietste door het dorp en hoorde op de hoek bij onze kerk het Leger des Heils zingen, een zang- en blaasgroep in uniform: ‘O denk aan het huis bij de Heer, bij de Heer’. Dat stond de oude lange Sikkema tussen het schrale publiek mee te zingen, en toen de dirigent zijn handen vouwde, zag ik dat Sikkema zijn pet afzette, en ook ik luisterde naar het gebed, overrompeld door eerbied, maar zonder mijn ogen te sluiten.

Het was verwarrend voor me, want Sikkema hoorde bij de verkeerde kerk, bij de synodalen, en toch zag ik hem daar in aanbidding staan met de pet in de hand. Dat kon dus, synodaal en in eerbied voor de Heer. Het was, voor mij als kind, een ontdekking die de al te simpele structuren doorbrak.

En kijk, zo’n zeventig jaar later verschijnt mij weer de lange Sikkema met ontbloot hoofd, wanneer mijn kleinkinderen in Zuid-Afrika zingen van ‘the sycamore tree’. In mij stijgt een mix van lach en emotie, en ik denk: ze hebben allebei geleerd de ander lief te hebben, de kleine Zacheüs en de lange Sikkemoa. One another. Wàn ànnàddà.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s